5 januari 2020 | Jurrie Drenth
In de wijktuin ‘Zoete Aarde’ werken veel vrijwilligers. Een deel van hen is lid van de ‘boomgaardgroep’. Op de eerste zaterdag van de maand komen zij bij elkaar om de appel en perenbomen te verzorgen.

Stoere mannen zijn het! Gewapend met snoeischaren, zagen, ladders, spaden en kruiwagens. Laarzen, klompen en handschoenen aan. Mutsen op. Heerlijk in de buitenlucht in weer en wind. Dit is een klus voor echte mannen die van boom tot boom gaan om te knippen en te zagen. Soms ook te graven. Zware takken die naar beneden vallen en in de kruiwagen worden gelegd.

Tjonge, we zijn net Tarzan! Van de ene boom naar de andere en maar snoeien en zagen. Hoog in de boom met de oerkreet van Tarzan. Ha! Stoere mannen!
‘En waar is Jane dan, hoor ik u denken?’ Jane? Hier is geen Jane. Zij is thuis. Nee, dit is een bijeenkomst voor mannen. Zoals vandaag 4 januari 2020. Hard werkende, zwetende, dampende mannen die elke boom vertroetelen. Menig boom wordt beter vertroeteld dan zijn eigen Jane thuis. Zo kan alleen Tarzan dat! Kijk ons gaan! Heen er weer met de kruiwagens vol takken.
Tijdens het brengen van de takken naar de takkenril staat daar plots een reiger voor mijn neus op het pad. ‘Een reiger, wat doet die hier?’ denk ik. Hij kijkt mij aan. ‘Het kan ook een zij zijn, maar zo’n kenner ben ik ook nou ook weer niet.’ Ik keek naar hem en wilde er langs. Normaal vliegen reigers weg als je ook maar enigszins in de buurt komt maar deze bleef staan. Hij keek me in de ogen alsof hij iets wilde zeggen, iets wilde laten zien.

Toen ik hem benaderde, kwam hij in beweging. Ach gut, hij liep mank. Zijn borstveren waren vies en plakkerig en hij kon zijn ene been bijna niet gebruiken. Hij liep heel langzaam en voorzichtig het pad af. Ik zag dat er een gezwel bij het einde van zijn been en voet zat. Het deed hem heel erg zeer, dat kon je wel zien. Ach, jongen toch! ‘Dierenambulance bellen!’ zei de ene boomgaardman. ‘Nee’, zei de ander.’ Laat de natuur z’n eigen gang gaan en bovendien er zijn genoeg reigers. Als we er niet waren geweest vandaag had hij ook dood gegaan.’ En zo staan de stoere mannen naar de reiger te kijken die in elkaar gedoken voor ons bleef staan. Ach, jongen toch! ‘Eigenlijk best zielig’, riepen we in koor. ‘Laten we de dierenambulance maar bellen.’ Dat besluiten we.
Niet veel later komt de dierenambulance er aan. Er stapt, vlak voor onze neus, een mooie, jonge Jane uit de auto. Met open mond zien wij hoe ze de reiger vangt en vastklemt tussen haar arm en lichaam en met haar andere hand z’n snavel vasthoudt. ‘Ze kunnen hard prikken met hun snavel. Die is vlijmscherp’, riep ze. Wat een stoere vrouw! Ze deed de reiger in een kooi en bedankte ons liefdevol, waarna ze weer verdween. ‘G..g..geen dank’, riepen wij in koor en zij liet ons met open mond achter. Daar ging ze, onze Jane met de reiger. Wij moesten een traantje wegpinken.
Stoere mannen! Ja, ja.